Ik zal me even netjes voorstellen: ik heet Christiaan Roorda en ik schrijf blogjes.

Wat is er zo interessant aan die naam van mij, behalve natuurlijk dat hij van mij is? Als ik hem uitspreek, is de kans groot dat u zegt: “Hoe?” Of dat u iets heel anders verstaat dan ik gezegd heb, Kees van Woerkom bijvoorbeeld. Ik kan namelijk mijn eigen achternaam niet uitspreken. Daarom ben ik maar gaan schrijven.

Mijn spraakprobleem valt in tweeën uiteen. Het eerste probleem is dat ik de R niet kan uitspreken. Mijn kat doet het nog beter. Nou is de R ook wel een van de moeilijkste letters om te leren. De meeste kinderen leren hem zo’n beetje als laatste klank. En er zijn hele volksstammen, zoals Chinezen, die hem nooit onder de knie krijgen. Die flauwe glapjes ovel bluin blood, die kroppen dus. Het is nog vreemder, want de Chinezen horen ook echt het verschil tussen een L en een R niet. En zij niet alleen. Ik zag ooit een Britse documentaire over de prachtige Duitse televisieserie Heimat. De Britse commentaarstem had het diverse keren over een van de hoofdpersonages en had het dan telkens over “Helman”. Terwijl die hoofdpersoon toch echt de naam Hermann heeft. Kennelijk zijn de Duitse en de Britse R zo verschillend van elkaar dat een Brit de Duitse R foutief herkent als een L. Voor een Brit praat een Duitser Chinees.

Dan de tweede helft van mijn spraakprobleem. Dat ligt niet aan mij, maar aan de onuitsprekelijkheid van mijn achternaam überhaupt. Na de eerste lettergreep verwacht je een tweede lettergreep die een duidelijk accent krijgt – niet zo’n onverwacht slap “da”. Een voorbeeld is de naam Noordam. Die slot-m zorgt ervoor dat de naam landt, want die vraagt om een tweede klemtoon, wel iets lichter dan de klemtoon op de eerste lettergreep, maar sterk genoeg om verstaanbaar te zijn. De oost-Nederlandse naam Roording komt ook goed terecht. De slot-a van mijn prachtige naam wappert maar een beetje.

Op mijn achternaam valt dan ook niet te rijmen, de Nederlandse taal kan er eenvoudig niets mee. Mijn broer rijmde ooit: “rijmen daarop komt wel voor ja”. Een zin die zichzelf tegenspreekt, want dit is geen zuiver rijm, de J van ja correspondeert niet met de D van da (tenzij je het in het Russisch vertaalt). Ik ben onuitsprekelijk en omgerijmd.