Onderwijsheid


Aan het wiegje van het basisonderwijs hebben veel goede feeën gestaan. Die feeën gunden onze kinderen (en ons kinderen) van alles. Zo schreef de regering in 1977, in het nieuwe voorstel voor een Wet op het basisonderwijs:


Het onderwijs richt zich in elk geval op de ontwikkeling van creativiteit, van cognitieve, sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden en het aanbrengen van noodzakelijke kennis.


Die noodzakelijke kennis stond er een beetje haastig aan het einde nog bij. Creativiteit stond voorop (het waren de jaren ’70), maar er mocht toch ook nog wat geleerd worden.


Maar dat stond alleen nog maar in het voorstel zoals de regering dat indiende bij de Tweede Kamer. In de loop van de Kamerbehandeling werd het nog veel mooier gemaakt: nu moest het onderwijs ook worden gericht op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling. Bovendien moest het onderwijs er mede vanuit gaan dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving. Hoe je dat doet, stond er niet bij. Het was inmiddels 1985 en een nieuwe tijdgeest dook in de teksten op.


In 2005 kwam er nog weer wat bij: het onderwijs moest mede gericht zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en het onderwijs was er mede op gericht dat leerlingen kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten.

Integratie in de klas. Ja, ook mij schieten nu de tranen in de ogen. Zo mooi is dat onderwijs!


Maar het kan nog mooier. Rutte III had bij zijn aantreden grootse plannen voor de scholen, over staande het Wilhelmus zingen en bezoekjes aan het Binnenhof. De volgende tekst werd bij de Tweede Kamer ingediend:


Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:

a. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens; en

b. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.


Aha, 72 jaar na het opstellen van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens dringen de fundamentele rechten en vrijheden van de mens dan eindelijk door in het onderwijs. Op papier dan.


Maar verandert dit nou echt iets in het curriculum? Het valt te betwijfelen. Weliswaar moet het onderwijs zich herkenbaar richten op al die mooie normen en waarden (had u dat woord gezien?), maar wie gaat dat zitten herkennen, achterin de klas? Toch niet de inspectie? Hier geldt toch wel: hoe meer mooie woorden, hoe minder betekenis.


De Lager Onderwijswet van 1878 bevatte over de hogere idealen van het onderwijs helemaal niets. Was dat onderwijs nou zo geweldig? Ja nee, dat nou ook weer niet.


20 keer bekeken
Schrijf een reactie aan Christiaan...

Bedankt voor de inzending!