Willem Drees en de oorlogsmisdrijven in Indonesië

Willem Drees was onze premier van 1948 tot 1958. In de onlangs verschenen biografie van Drees, geschreven door Jelle Gaemers, wordt hij neergezet als een echte bestuurder in de Nederlandse stijl: hij was er vooral op uit om op praktische manieren samen te werken met andere partijen. Maar tegelijk hield hij het zicht op de sociaaldemocratische idealen waar hij als leider van de PvdA voor stond. En hij heeft belangrijke resultaten geboekt: mede onder zijn leiding werd een stelsel van sociale zekerheid opgebouwd, waarmee ouderen, werklozen en zieken bescherming kregen. Zijn bescheidenheid, zakelijke stijl en gebrek aan retoriek hebben hem zeker geholpen om de brug te slaan naar de rechtse partijen waar hij mee moest samenwerken.

Wel was hij medeverantwoordelijk voor de zogeheten “politionele acties”. In 1945, na de Japanse capitulatie, hadden vrijheidsstrijders in het door de Japanners bezette Nederlands-Indië eenzijdig de Republiek Indonesië uitgeroepen. Het Nederlandse bestuur was nog niet ter plaatse en liep daarna voortdurend achter de feiten aan. Tot twee keer toe werd het Nederlandse leger ingezet om de opstand neer te slaan. Pas geleidelijk aan werd duidelijk dat dit gepaard ging met grootschalige oorlogsmisdrijven. Overigens gebruikten de Indonesische opstandelingen ook veel geweld tegen de Nederlanders en tegen elkaar. De kwestie was destijds al beladen en is dat in zekere zin nog altijd.


De eerste van deze militaire operaties vond plaats onder minister-president Beel. Drees was toen Minister van Sociale Zaken en vice-premier. Bij de tweede operatie was Drees premier. In beide gevallen heeft de PvdA gedreigd met een kabinetscrisis, maar is zij op het laatste moment akkoord gegaan met militaire operaties.


In de biografie van Jelle Gaemers wordt in een lang hoofdstuk stilgestaan bij de positie die Drees in de Indonesische kwestie innam. Dat hoofdstuk begint met – ik kan niet anders zeggen – een subjectieve verdediging van Drees’ optreden. De biograaf legt uit waarom het voor Drees niet eenvoudig was om er geen verantwoordelijkheid voor te nemen. Hij staat er niet bij stil dat de grote kwaliteit van Drees – zijn vermogen om idealen praktisch te verwezenlijken, zijn grote bestuurskracht – ook een valkuil kan zijn: dat hij te lang doorgaat met compromissen sluiten “om erger te voorkomen”. Er kan altijd een moment komen waarop je niet langer verantwoordelijkheid kunt nemen en eruit moet stappen. Wanneer dat punt wordt bereikt is niet zo eenvoudig te bepalen, maar je zou zeggen dat verantwoordelijkheid voor oorlogsmisdrijven een stap te ver is. Alleen, hoeveel wist Drees van wat er in Indonesië gebeurde, of hoeveel kon hij vermoeden?


De biografie had aan diepgang gewonnen als de biograaf zulke vragen had beantwoord of in ieder geval gesteld, maar dat doet hij niet. Hij blijft vasthouden aan zijn positieve beeld van Drees de rasbestuurder die zoveel heeft bereikt.


Interessant is zeker ook hoe Drees in 1948 voor de eerste keer premier heeft kunnen worden, terwijl zijn partij niet de grootste was. Dat premierschap blijkt namelijk sterk samen te hangen met de problemen rond Indonesië. De Katholieke Volkspartij (KVP) en de PvdA waren samen groot genoeg om een meerderheidskabinet te vormen, maar de KVP wilde een kabinet formeren dat een veel ruimere meerderheid zou krijgen, de zogenaamde “brede basis”. Die vond zij nodig om nieuwe staatkundige verhoudingen met Indonesië – de vorming van een soort federatie – in de Grondwet vast te leggen (daarvoor is een twee-derde meerderheid nodig). De PvdA voelde er echter niets voor om twee kleinere rechtse partijen (de CHU en de VVD) in het kabinet op te nemen.


Nadat de formatie twee keer was vastgelopen, bood de KVP ineens het premierschap aan aan Drees. Daarna verliepen de onderhandelingen vlot en soepel: de PvdA was bereid het vierpartijenkabinet te accepteren en ging er bovendien mee akkoord om geen van de ministers te leveren die direct verantwoordelijk waren voor de Indische kwestie. Het lijkt wel een uitruil: de PvdA kreeg de premier en de opbouw van het sociale stelsel maar gaf de rechtse partijen de ruimte bij de kwestie-Indonesië. Politieke uitruil kan lastige en politieke en morele vragen opleveren; dat heeft de PvdA ook ervaren in het tweede kabinet-Rutte.


Bronnen

Jelle Gaemers, Willem Drees. Daadkracht en idealisme, Boom, Amsterdam 2021

J.E.C.M. van Oerle, Kabinetsformatie onder hoogspanning 1948. De formatiedagboeken van Beel, Drees, Van der Goes van Naters en Romme, uitgegeven en geannoteerd, Van Soeren & Co, Amsterdam, 1989


Beeld van Drees aan het Buitenhof in Den Haag

41 keer bekeken
Schrijf een reactie aan Christiaan...

Bedankt voor de inzending!